Het aflezen van een schilderij begint, op het eerste plan, bij de figuratieve voorstelling. Het bronnen-materiaal voor deze zes doeken tellende reeks, is gebaseerd op een, in de jaren veertig van de vorige eeuw, aan het Rockefellerinstituut (USA) ontstane theorie over hoe een kind tegelijkertijd fysiek als verstandelijk kan ontwikkeld worden. Door met baby’s en peuters te zwieren, te zwaaien en zelfs in de lucht te gooien, zouden de ukken, door in het ijle hun evenwicht te zoeken, de balans vinden om veilig terecht te komen. Reflexen zouden daardoor sneller aangeleerd worden bij deze door mekaar geklutste kinderen.
Twintig jaar later vechten jongens in de dichtbegroeide oerwouden en jungles van Vietnam terwijl leeftijds-genoten, joint in de ene hand, vrije liefde in de andere, kleurrijk demonstreren tegen de beklemmende gedachte aan hun eigen futloos bestaan. Maar tot welke groep behoren de dooreengeschudde kinderen? Waarschijnlijk niet tot de gesneuvelde jongens. Of toch? De voorstelling wordt een mentale voedingsbodem voor het beleven van een (individuele) verbeelding. Het toevoegen van kennis, van een in vraag stellen of het aanzetten tot nieuwsgierigheid door de toeschouwer stelt het kunstwerk in staat om meer autonoom ten opzichte van de kunstenaar te functioneren. Tezelfdertijd behoudt het werk zijn artistieke vermogen om, in al zijn abstractie, elk ontwikkeld denkbeeld in vraag te stellen.
Het begrip beeld-en taalverwarring is een motief dat een constante vormt binnen mijn oeuvre. De confron-tatie tussen het intuïtieve, als het spuien van opgeslagen kennis, en de taalconstructies van schilderkunst, fotografie, film en literatuur biedt de mogelijkheid om gevarieerd met deze begrippen om te gaan. Door telkens anders te doseren en het gebruik maken van een verscheidenheid in klemtonen wil ik een ééntonig en rechtlijnig oeuvre vermijden.
De schilderkunst, met haar vermogen om met verschillende lichtsnelheden te werken, door het gebruik maken van transparante tot opake verflagen, gecombineerd met het complexe spel van betekenissen, vormen en associaties, is een medium dat uitermate geschikt blijft om het uitgeholde ‘decontextualiseren’ te laten voor wat het is, maar integendeel linken blijft leggen naar andere talen en media.
In deze zes werken wordt het onderwerp telkens in een zelfde soort decor geplaatst, met een gekleurde cirkel en het binnenwerk van een waterrad, als achtergrond. Deze twee sterke vormen zijn symbolen van kracht, maar leggen tegelijkertijd associaties met het groteske van circusvoorstellingen. Om het geheel te ontkrachten in zijn strengheid zijn er kleurvlekken aangebracht, die het beeldvlak anders laten aflezen, een muzikaal ritme toevoegen en de ondraaglijke idee om kinderen te gebruiken als proefkonijnen relativeren.
Esthetiek kan zich verrijken als ze het ethische toelaat; schoonheid is een hulpmiddel om het denken soepel te houden.
Jan Van Imschoot 09-10-2008
Le regard sur une peinture commence d’abord par la lecture d’une image. Une théorie du Rockefeller Institute datant des années quarante et portant sur le développement physique et intellectuel des enfants est à l’origine de ces six tableaux. Faire tournoyer, agiter, voire même jeter en l’air des bébés et des jeunes enfants améliorerait les articulations et l’équilibre. Les enfants ainsi manipulés développeraient plus rapidement leurs réflexes.
Vingt ans plus tard, des jeunes se battent et meurent dans la jungle vietnamienne tandis que leurs congénères, un joint dans une main et l’amour libre dans l’autre, manifestent, complètement stones, angoissés a l’idée de leur propre existence. Mais auquel de ces deux groupes les enfants secoués appartiennent-ils ? Probablement pas aux garçons tués. A moins que… ? Cette question nourrit l’expérience face à la peinture : en effet, provoquer le questionnement du spectateur sur des idées renforce l’autonomie de l’œuvre. Le travail garde sa puissance artistique tout en laissant les questions ouvertes.
Les notions de représentation et de confusion linguistique sont des constantes dans mon œuvre.
La confrontation entre l’intuitif, l’évacuation des connaissances accumulées, les constructions linguistiques de la peinture, de la photographie, du cinéma et de la littérature offrent la possibilité de jouer avec ces notions. En pondérant à chaque fois ces différents thèmes et en faisant usage d’une grande variété de tons, j’évite une œuvre monotone et linéaire. La peinture, par sa capacité à fonctionner à différentes échelles, par l’usage de couches de peintures allant de la plus transparente à la plus opaque, grâce à un jeu complexe de significations, de formes et d’associations est un medium qui permet de faire des liens avec d’autres langages et medias.
L’arrière-plan de ces six tableaux est de même type, un cercle coloré et une roue à aube. Ces deux formes sont des symboles de force mais évoquent aussi le grotesque des représentations du cirque. Pour infirmer l’aspect sévère de l’ensemble, des taches de couleurs ont été apportées. Elles permettent une autre lecture du tableau, donnent un rythme musical et relativisent l’idée insoutenable d’utiliser des enfants comme cobayes. L’esthétique peut s’enrichir si elle tolère l’éthique, et la beauté est un moyen de garder de la souplesse dans la réflexion.
Jan Van Imschoot 09-10-2008
Twintig jaar later vechten jongens in de dichtbegroeide oerwouden en jungles van Vietnam terwijl leeftijds-genoten, joint in de ene hand, vrije liefde in de andere, kleurrijk demonstreren tegen de beklemmende gedachte aan hun eigen futloos bestaan. Maar tot welke groep behoren de dooreengeschudde kinderen? Waarschijnlijk niet tot de gesneuvelde jongens. Of toch? De voorstelling wordt een mentale voedingsbodem voor het beleven van een (individuele) verbeelding. Het toevoegen van kennis, van een in vraag stellen of het aanzetten tot nieuwsgierigheid door de toeschouwer stelt het kunstwerk in staat om meer autonoom ten opzichte van de kunstenaar te functioneren. Tezelfdertijd behoudt het werk zijn artistieke vermogen om, in al zijn abstractie, elk ontwikkeld denkbeeld in vraag te stellen.
Het begrip beeld-en taalverwarring is een motief dat een constante vormt binnen mijn oeuvre. De confron-tatie tussen het intuïtieve, als het spuien van opgeslagen kennis, en de taalconstructies van schilderkunst, fotografie, film en literatuur biedt de mogelijkheid om gevarieerd met deze begrippen om te gaan. Door telkens anders te doseren en het gebruik maken van een verscheidenheid in klemtonen wil ik een ééntonig en rechtlijnig oeuvre vermijden.
De schilderkunst, met haar vermogen om met verschillende lichtsnelheden te werken, door het gebruik maken van transparante tot opake verflagen, gecombineerd met het complexe spel van betekenissen, vormen en associaties, is een medium dat uitermate geschikt blijft om het uitgeholde ‘decontextualiseren’ te laten voor wat het is, maar integendeel linken blijft leggen naar andere talen en media.
In deze zes werken wordt het onderwerp telkens in een zelfde soort decor geplaatst, met een gekleurde cirkel en het binnenwerk van een waterrad, als achtergrond. Deze twee sterke vormen zijn symbolen van kracht, maar leggen tegelijkertijd associaties met het groteske van circusvoorstellingen. Om het geheel te ontkrachten in zijn strengheid zijn er kleurvlekken aangebracht, die het beeldvlak anders laten aflezen, een muzikaal ritme toevoegen en de ondraaglijke idee om kinderen te gebruiken als proefkonijnen relativeren.
Esthetiek kan zich verrijken als ze het ethische toelaat; schoonheid is een hulpmiddel om het denken soepel te houden.
Jan Van Imschoot 09-10-2008
Le regard sur une peinture commence d’abord par la lecture d’une image. Une théorie du Rockefeller Institute datant des années quarante et portant sur le développement physique et intellectuel des enfants est à l’origine de ces six tableaux. Faire tournoyer, agiter, voire même jeter en l’air des bébés et des jeunes enfants améliorerait les articulations et l’équilibre. Les enfants ainsi manipulés développeraient plus rapidement leurs réflexes.
Vingt ans plus tard, des jeunes se battent et meurent dans la jungle vietnamienne tandis que leurs congénères, un joint dans une main et l’amour libre dans l’autre, manifestent, complètement stones, angoissés a l’idée de leur propre existence. Mais auquel de ces deux groupes les enfants secoués appartiennent-ils ? Probablement pas aux garçons tués. A moins que… ? Cette question nourrit l’expérience face à la peinture : en effet, provoquer le questionnement du spectateur sur des idées renforce l’autonomie de l’œuvre. Le travail garde sa puissance artistique tout en laissant les questions ouvertes.
Les notions de représentation et de confusion linguistique sont des constantes dans mon œuvre.
La confrontation entre l’intuitif, l’évacuation des connaissances accumulées, les constructions linguistiques de la peinture, de la photographie, du cinéma et de la littérature offrent la possibilité de jouer avec ces notions. En pondérant à chaque fois ces différents thèmes et en faisant usage d’une grande variété de tons, j’évite une œuvre monotone et linéaire. La peinture, par sa capacité à fonctionner à différentes échelles, par l’usage de couches de peintures allant de la plus transparente à la plus opaque, grâce à un jeu complexe de significations, de formes et d’associations est un medium qui permet de faire des liens avec d’autres langages et medias.
L’arrière-plan de ces six tableaux est de même type, un cercle coloré et une roue à aube. Ces deux formes sont des symboles de force mais évoquent aussi le grotesque des représentations du cirque. Pour infirmer l’aspect sévère de l’ensemble, des taches de couleurs ont été apportées. Elles permettent une autre lecture du tableau, donnent un rythme musical et relativisent l’idée insoutenable d’utiliser des enfants comme cobayes. L’esthétique peut s’enrichir si elle tolère l’éthique, et la beauté est un moyen de garder de la souplesse dans la réflexion.
Jan Van Imschoot 09-10-2008